Fietstelweek: Selftracking van eigen bodem

25 juli 2017 door Danny Edwards

De Fietstelweek is in zijn 2-jarig bestaan al uitgegroeid tot een alom bekend fenomeen: Gewone fietsers die een week lang allemaal hun eigen fietsritten registreren. Dat resulteert in een landelijke kaart en database van fietsgedrag. Maar wat levert dat nou eigenlijk op?

Wie is Willem Scheper?

Ik werk bij Keypoint, een adviesburo op het gebied van mobiliteit. Keypoint werkt redelijk breed, maar onze echte specialiteit is het kruispunt tussen data, ict en mobiliteit. Daar zijn we een topspeler. We hebben met een behoorlijk palet aan organisaties de Fietstelweek op poten gezet. Ikzelf ben de bedenker en nog steeds projectleider. Ik doe ook veel andere mobiliteitsprojecten, maar de Fietstelweek is wel iets wat veel positieve vibe oplevert.

Wat was je ambitie bij de start?

We weten heel veel over de auto, heel veel over OV. Maar over de modaliteit die het meest gebruikt wordt is het minst bekend. Als je Nederlandstalig zoekt naar fietsen en data vind je rare dingen; buitenlandse literatuur is veel interessanter. Er is in dit land een behoorlijke mismatch tussen fietscultuur en fietskennis. Toen ben ik gaan nadenken. Eerst alleen, later met een groep mensen. Het idee van een app kwam al snel bovendrijven, maar daar begint het pas. Hoe creëer je massa, hoe mensen te verleiden om mee te doen. Daarom wilden we het simpel houden. Een korte periode, een app zonder knopjes, gewoon downloaden en een week meedoen. Niets meer, niets minder. We dachten dat de eerste keer 10 tot 15 duizend deelnemers al heel mooi zou zijn.

En toen?

We kregen die eerste keer in 2015 een hoop aandacht in de media. Met als gevolg 56.000 downloads. Een klinkend succes dus. Ook een hoog aandeel echt actieve deelnemers, die veel feedback gaven. Uit naonderzoek bleek de gebruikersgroep behoorlijk representatief voor fietsend Nederland. Alle leeftijden, mannen en vrouwen beiden goed vertegenwoordig. Scholieren en 65-plussers wel iets minder. 65% van de ritten was werk/opleiding gerelateerd. Dat laatste is voor onze opdrachtgevers interessant. Waarschijnlijk trekken we wel meer fiets die-hards die wat meer kilometers maken dan de doorsnee fietser.
Dat eerste jaar [2015] hadden we veel deelnemers maar was het slecht weer. Het tweede jaar hadden we minder deelnemers maar was het goed weer. Dat resulteerde per saldo in veel meer data.

Wie zijn de opdrachtgevers?

Vooral provincies en grote steden. Maar wat we zien is dat de dunbevolkte provincies afhaken, omdat ze vinden dat er op het platteland niet genoeg fietsers meedoen. We pakken circa 2% van alle fietsers tijdens de Fietstelweek. Dat is best veel, maar in het buitengebied zijn dat op veel routes inderdaad hele lage aantallen. Pas tussen 5 tot10 passanten wordt data interessant.
We zien ook dat die provincies over het algemeen niet veel met de beschikbare data doen. Ze zouden er veel meer uit kunnen halen. Het is net als ongevallendata: Elke gemeente heeft toegang, maar ze komen er niet aan toe of weten niet hoe het werkt. Steden als Amsterdam en Utrecht, maar ook de provincie Gelderland zijn veel intensiever met fietsdata bezig en zetten dat ook echt om in beleid en investeringen.
Amsterdam en Utrecht hebben ook fysieke meetpunten. Dat werkt heel goed in combinatie met Fietstelweekgegevens. Steeds meer steden gaan zelf meer tellen, ook tijdens de Fietstelweek. Zo kunnen ze de ratio bepalen tussen wat wij tellen en wat werkelijk voorbijkomt, en hoe onze tellingen zich verhouden tot de rest van het jaar.


We zien dat data inmiddels gebruikt wordt bij het doen van investeringen, maar ook om achteraf te evalueren of iets gewerkt heeft of niet. Van de nieuwe fietstunnel bij het Centraal Station in Amsterdam konden we heel goed laten zien dat die nieuwe route meteen één van de drukste van Amsterdam was.
In het algemeen zijn lokale overheden nog niet zo ver dat ze de juiste vragen kunnen stellen. De grote steden lopen wat dat betreft ver voorop. Veel andere gemeenten zijn ‘onbewust onbekwaam’. De eerste stap is dat wij proberen ze ‘bewust onbekwaam’ te maken.

Hoe houdt je fietsers geïnteresseerd om elk jaar mee te doen?

In september staat weer de Fietstelweek 2017 voor de deur. We willen meer feedback leveren. In het algemeen door deelnemers te laten zien dat door hun input concrete verbeteringen in het fietsnetwerk tot stand komen.
Maar ook uitwisseling van feedback op individueel niveau: Deelnemers krijgen een dashboard met hun persoonlijke prestaties in ruil voor feedback over hun fietsritten. Wat was er goed, wat slecht, waren er concrete verbeterpunten. Zo bedienen we de doelgroep met een nieuw element.
Wat we ook gaan doen is de mogelijkheid bieden om het hele jaar door fietsritten te registreren, in plaats van alleen tijdens de Fietstelweek.

Jullie app houdt ook mijn loop-, OV- en autoverplaatsingen bij. 

De app staat een week lang inderdaad 24/7 aan, ook in de auto, ook in de trein. Die data gebruiken we ook. Niet om autoverplaatsingen an sich te onderzoeken, maar wel om de hele ketenverplaatsing waar een fietsrit deel van uitmaakt in beeld te krijgen. Voor de gemeente Utrecht konden we op die manier inzichtelijk maken dat tweederde van de fietsers in het stationsgebied met het OV verder reist en eenderde een lokale bestemming bij het station in de buurt heeft. Om dit soort onderzoek te mogen doen hebben we de gebruikersvoorwaarden van de app aangepast.

Leidt meer data ook echt tot betere besluitvorming?

Voor politici is het heel verleidelijk om vooral te investeren in routes waar aantoonbaar veel gefietst wordt: ‘Ik geef mijn geld uit waar mijn stemmers fietsen’. Maar of dat ook werkelijk de beste fietsinvesteringen zijn vanuit het functioneren van de stad in bredere zin beschouwd is daarmee niet per se aangetoond. Ik heb zelf wel eens gezegd: De meeste fietsinvesteringen zijn gebaseerd op lucht en enthousiasme. Data is dan behulpzaam om tot een serieuzere besluitvorming te komen, bijvoorbeeld in de vorm van MKBA’s. Een hoog rendement op fietsinvesteringen blijkt vaak eenvoudig mogelijk. Maar we snappen nog steeds maar heel weinig van hoe en waarom fietsers hun routes kiezen door de stad. Het enige wat we zeker weten is dat het een mythe is dat ze voor de kortste route in meters of minuten kiezen. Dat is gewoon niet zo. Vaker is het een combi van vlot en plezierig kunnen rijden. En daarbij spelen nog veel andere factoren een rol. Dat willen we de komende jaren echt onderzoeken.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit artikel.

Praat mee

Heeft u zelf ervaring met het onderwerp van dit artikel, of heeft u een briljant idee? Laat dan hier uw reactie achter. Uw inzichten zijn voor dit project zeer waardevol!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Kent u zelf een interessant project op het gebied van de zelforganiserende burger, mobiliteit en de stad? Of heeft u een goed idee of een uitgesproken mening? Mail ons dan op info@emergent.city. Uw bijdrage is voor dit project zeer waardevol!
×